Meester, mogen we voetballen?

Standaard

Als er geen echt WK-lied is, dan maar een WK-blog. Deze keer gaan we al voetballend school maken. Overwinning of nederlaag, het is een sportieve kijk op scholen (slim) organiseren. Elke dag is er match. Er wordt gespeeld om te winnen, want het is de ambitie van de school om kinderen zo ver mogelijk te brengen. We doen het niet meer alleen met de directeur of voorzitter aan de top. ‘Dat zou pas koekenbak zijn’, roept de voetbalcommentator enthousiast.

Aftrap

De leerlingen lopen het stadion binnen. De leerkrachten komen één voor één uit de leraarskamer alsof ze vanuit de kleedkamer het veld opkomen. Directie en bestuur zit in de dug-out toezicht te houden. Het stadion is uitverkocht met uitzinnige fans in de tricolore. Elke speler gaat naar zijn positie op het veld zoals de leerkracht tijdig voor de rij of naar de klas. Net zoals met het belsignaal wordt met een fluitsignaal de aftrap gegeven en kan het spel beginnen.

De bal is rond

De bal is onze kernopdracht: Leerlingen kwalificeren, talenten ontwikkelen, leervermogen maximaliseren en welbevinden organiseren. Zoals de bal voor iedereen rond is, is de kernopdracht voor iedereen gelijk en tijdloos. Het spel dat we samen spelen, kan wel verschillen. Geen school is gelijk. Door offensief of defensief te spelen, wordt het leerplan ofwel klassiek afgewerkt of met alternatieve spelvormen aantrekkelijk gemaakt. Maar we spelen wel de bal, nooit de man. Er is maar één leerweg: de weg vooruit naar de goal.

Buiten de lijnen

Maken we toch brokken of duwen we de bal buiten de lijn, dan ligt het spel eventjes stil. We vergewissen ons van de toestand. Iedereen neemt daarna opnieuw positie in. Ook de leerling komt op adem, wordt beluisterd en krijgt een nieuwe kans om in te pikken. Met een hoekschop of ingooi komt de bal weer in het spel. We dragen dus zorg voor elkaar en voor de leerlingen. Soms moeten we zelfs een muurtje bouwen om geen tegendoelpunt te krijgen. Maken we toch een fout, dan raapt een keeper de bal op en bouwen we opnieuw op. Herstelgericht werken, noemen we dat op school.

In de tribune

In de tribune zitten onze stakeholders. Ze verwachten veel van de match en supporteren voor het spel dat gespeeld wordt. Ze juichen mooie combinaties toe of klagen met boe-geroep onterechte beslissingen aan. Wie speelt naar het verkeerde doel, zal het gehoord hebben. Wie op school de verwachtingen niet inlost, kan vragen van ouders en soms ook de pers krijgen.

Het gras en de krijtlijnen

Ons voetbalveld is groen. Groen is onze gemeenschappelijke waarde. De krijtlijnen op dat veld zijn de kaders van onze gedragen visie op school. Ze bepalen de spelregels en zijn de werkingsprincipes waar we ons op school aan houden. Wie buitenspel loopt of anderen tackelt, wordt teruggefloten. Wie zondigt tegen de afgesproken principes riskeert een gele of rode kaart. Het doel is de ambitie van de school. Om resultaat te halen moeten we samen doelpunten scoren. We willen immers op het einde een goed score-rapport.

De 12de man

Ze zijn met 11 en vaak divers samengesteld. Van keeper, verdedigers over middenveldspelers tot spits. Niet iedereen moet op elke positie kunnen spelen, maar samen moeten ze wel het gehele veld bezetten en balbezit houden. Van ‘ik’ naar ‘wij’. En waar een ‘wij is, is een weg’. Niet de hiërarchie bepaalt de positie, maar teamleden ondersteunen elkaar en spreken een rolverdeling af. Met 4 op een groot veld is te weinig en met 20 lopen ze elkaar voor de voeten. Een elftal vormt een ideale en werkbare teamgrootte. En de 12de man zorgt voor de sfeer. Het is de cultuur op school waarbij fouten maken mag en we open kunnen praten, vooruit gestuwd door de wave van het stakeholderspubliek.

Basisploeg

Doorheen het tornooi spelen we best met een vast team, de basisploeg. Wissels worden beperkt. Wie in de schil van het team functioneert, is loyaal aan de ploeg bij een invalbeurt. Interims worden opgevangen binnen het team. Ook de Rode Duivels waren bij aanvang geen topteam. Dat ontstaat maar op het einde van een training- en leerproces. Veel oefenen op specifieke situaties en ze onderling met elkaar bespreken, is nodig. Het team verschijnt – om ex-bondstrainer Robert Wasseige te citeren – zo fris als een konijn op de plein. De spelers beoordelen het spel als team en passen flexibel hun manier van spelen aan volgens de noden en de score. De passes die ze naar elkaar geven, zijn de communicatie- en rapporteringslijnen op school. Wie achterstand oploopt, steekt een tandje bij. Wie op voorsprong staat, kan verder rustig de bal rondspelen en het spel domineren.

De coach en de kapitein

De coach naast het veld geeft wel richtlijnen, maar neemt het spel niet over. Hij zorgt in de eerste plaats voor een goede teamsfeer. Ook op het veld is er een kapitein, die gelijk met de anderen meespeelt. Ook op school wordt leiderschap best gedeeld. Zoals de kapitein op het veld zijn medespelers subtiel aanstuurt, zo nemen leerkrachten in het team de verantwoordelijkheid voor hun uitvoerende taken en geven ze elkaar (constructieve) feedback. Wie te veel alleen dribbelt, wordt aangesproken of gewisseld.

De scheidsrechter

De scheidsrechter ziet als een inspecteur toe op de spelregels en het systeem. Extra videorefs kijken over de schouder mee. Langs de zijlijn houdt de lijnrechter nauwlettend het spel in de gaten. Ze helpen de kwaliteit van het spel hoog te houden. In onderwijs werken ook heel wat instanties langs de zijlijn: CLB’s, ondersteuningsnetwerken, pedagogische begeleiders en fastteams. Waar nodig geven ze ondersteuning. In de hoogste nood wordt de match stilgelegd voor wie gekwetst raakt. Je ziet de sportdokter en verzorgers dan over het speelveld hollen in de hoop onze sterspeler niet te moeten afvoeren.

Extra tijd

Zoals een match bestaat uit 2 speelhelften, zo wordt het schooljaar ook opgedeeld in 2 semesters. Op het einde van elke helft komen de spelers ‘in de zestien’. Het is dan alle hens aan dek, want examentijd. Op het einde komt er zelfs soms blessuretijd bij. De leerlingen krijgen dan met een bijkomende proef of een flexibel traject extra tijd. Penalty’s beslissen soms over doorgaan of niet doorgaan naar het volgende leerjaar. Tussen de speelhelften is er een verdiende pauze, rust en reclame. Het dient om de mentale batterijen op te laden, het spel te evalueren en de tactiek bij te schaven. De voorbereiding naar volgend schooljaar.

Wereldkampioen!

Onderwijs organiseren is dus het wereldkampioenschap voetbal spelen. Omgaan met veel verwachtingen en aan een hoog wedstrijdritme. Zoals elke supporter een beetje bondscoach is, is elke ouder ook een beetje schooldirecteur. Een onderwijsspecialist met een eigen mening. Toch moet elke match gespeeld worden. En soms kan de bal ook verkeerd rollen. Gedeeld leiderschap op school is dan nodig om die verantwoordelijkheid georganiseerd te krijgen.

Van privésector naar onderwijs en omgekeerd

Standaard

Het lerarentekort wordt op steeds meer plekken zichtbaar en voelbaar. Als bestuurder krijg ik dagelijks vragen van directies. De vergrijzing slaat toe, de babyboomers verlaten straks massaal het onderwijs en een griepgolf kan de continuïteit op school in gevaar brengen. Ondanks veel creativiteit lukt het niet altijd om een oplossing te vinden binnen het eigen personeelsbestand. Beleidsmakers verbeteren intussen de arbeidsvoorwaarden en verhogen de werkzekerheid van beginnende leerkrachten. Maar waarom ons heil blijven zoeken in het bekende trapladdersysteem voor een lerarenloopbaan? Naast dat verticale denken zou een horizontale mobiliteit nochtans kunnen zorgen voor diverse andere patronen. Denk even met me mee.

Zij-instromers

Veel leerkrachten komen ‘vanachter de lesbanken’ rechtstreeks ‘voor de lesbanken’ te staan, zonder eerst elders relevante beroepservaring opgedaan te hebben. Mensen die van buiten de onderwijssector komen om les te geven, noemen we zij-instromers. Wegens budgettaire beperkingen wordt dat echter niet aangemoedigd. Nochtans kan zij-instroom een verrijking zijn om leerlingen voor te bereiden op de toekomstige maatschappij. Ze krijgen dan les van mensen die theoretisch geschoold zijn én voldoende voeling hebben met het levensechte werk. De arbeidsmarkt evolueert, waardoor professionals gedurende hun loopbaan meerdere ‘meesterschappen’ verwerven om relevant te blijven. Permanent levenslang leren heeft ook als gevolg dat ze meerdere opeenvolgende jobs uitoefenen. Het is jezelf continu verbeteren, maar tegelijk ruimte scheppen voor nieuwe invalshoeken. Het zou fijn zijn mocht ook het onderwijs van de tendens kunnen profiteren.

Freelancers

Mocht een school of schoolbestuur zijn eigen loonbudget kunnen aanwenden, dan zouden ze ervoor kunnen kiezen om naast ‘vaste’ leerkrachten ook bepaalde competenties (tijdelijk) te huren of in te kopen van andere organisaties. Dat zijn dan leerkrachten met een zelfstandig statuut als een soort ZZP (zelfstandig zonder personeel) of freelancer. Die manier van werken wint maatschappelijk aan populariteit. Jobs evolueren naar projecten, waaraan competenties worden gekoppeld. De kanteling van ‘bezit van kennis’ naar ‘gebruik van competenties’ betekent dat mensen hun diensten verhuren en inkomsten halen uit meerdere projecten. Vaste banen zijn dan niet de meest logische vorm om ‘werk’ te organiseren. De digitalisering versnelt dat alleen maar. Slimme platforms maken komaf met de klassieke coördinatie en linken sneller vraag aan aanbod. Die flexibiliteit zou ook het onderwijs deugd doen.

Combi-leerkrachten

Laat ons nog verder denken. Waarom zouden niet ook werknemers uit de private sector worden aangetrokken op louter contractuele basis, zodat ervaring en competentie uit de private sector kan instromen in het onderwijs?  Die hybride personeelsgroep zou dan tegelijk in de echte bedrijfswereld actief zijn en in de scholen. Duaal werken voor leerkrachten dus! Duale leerkrachten leveren een bijdrage aan de kwaliteit door meer up-to-date praktijkkennis en feedback binnen te brengen in het klaslokaal. Ze zijn de perfecte verbinders. Contacten tussen scholen en het bedrijfsleven verlopen vlotter en tegelijk biedt het voor een groot aantal mensen een alternatieve oplossing voor meer of ander werkbaar werk (in beide richtingen). Sommige grote bedrijven zijn nu al bereid om werknemers ‘uit te lenen’ aan het onderwijs. De slaagkansen van dergelijke combibanen zijn te zoeken in de persoonlijke vaardigheden (planning, flexibiliteit, sociale vaardigheid, transparantie,…) en de randvoorwaarden op school (combi-lesrooster, afstemmingstijd,…). Ook flexibiliteit en ruimte om te combineren en waardering, steun en vertrouwen krijgen, zijn belangrijke voorwaarden voor succes.

Weg met diploma’s!

Het feit dat er mensen voor de klas komen die geen diploma van didactische scholing hebben, kan weerstand opleveren. We moeten af van dat diplomadenken en erkennen dat dergelijke medewerkers voldoende sociale vaardigheden en competenties hebben ontwikkeld binnen hun eigen werkcontext. Dat kan toch ook een verrijking zijn voor de onderwijswereld? Die nieuwe collega’s kunnen worden opgevangen binnen een team van (echte) leerkrachten zodat ze wel voldoende pedagogisch-didactische ondersteuning ervaren. Het team is dan samen competent om de kernopdracht te vervullen voor de community van leerlingen. En er zijn nog de pedagogische begeleiders om die duale leerkrachten te ondersteunen.

Bijklussen

Met de huidige spelregels in onderwijs lukken de ideeën hierboven niet. Concreet zal een ander beloningssysteem moeten worden ontworpen, zodat die verschillende statuten een evenwaardige financiële vergoeding krijgen. De evolutie naar meer flexibelere statuten zal een vorm van loopbaanplanning moeten mogelijk maken waardoor niet onmiddellijk naar het credo van de levenslange vaste benoeming moet teruggegrepen worden als alibi om de job aantrekkelijk te maken. Die benoeming geeft dan wel financiële zekerheid, maar zegt niets over de kwaliteit van het werk. Nieuwe generaties stellen echter vaak ‘waarden en tijd’ boven geld. We moeten dus streven naar een cocktail van bezoldigingscriteria waarbij het bereiken van resultaat én verantwoordelijkheid; diploma én verworven competentie; individueel werk én teamwerk worden gevaloriseerd. Niet of-of, maar en-en. Maar we moeten ook zorg dragen voor elkaar. Het is niet voor iedereen een bewuste en evidente keuze om freelancer of duale leerkracht te zijn. Voor anderen is het gewoon een noodzaak om naast een reguliere job nog bij te klussen. En wie arbeidsongeschikt wordt, moet op iets kunnen terugvallen. In geen geval mag dit efficiëntiestreven en flexibiliteitsverhaal leiden tot een kille samenleving. Onze verzorgingsstaat en onderwijswereld laat zich niet zomaar afbrokkelen.

Dat de mens zich in de toekomst in elk geval anders zal verhouden tot werk, school en maatschappij, is zeker. Dat moeten we ook in onderwijs slim zien te organiseren, zodat we alle talenten kunnen gebruiken uit het brede netwerk én oog blijven hebben voor de menselijke maat.