
De vraagstukken waar scholen vandaag mee worstelen, geraken binnen het huidige systeem niet meer opgelost. Scholen worden geconfronteerd met steeds meer complexe zorgproblematieken bij leerlingen en ervaren een toename van agressie en grensoverschrijdend gedrag. Leerkrachten, zorgbegeleiders en directies zitten met de handen in het haar, want ook CLB-medewerkers en leerondersteuners lopen achter de feiten aan.
Rond het schoolgebeuren bevindt zich een groeiend aantal instanties dat – elk vanuit een eigen invalshoek – met schitterende bedoelingen aan de slag gaat. Toch blijft de kraan open, terwijl leerkrachten (vaak alleen in de klas) dweilen. Dit maakt het steeds moeilijker om passend onderwijs te bieden. De wachtlijsten in de hulpverlening zijn volledig dichtgeslibd, vooral voor kinderen en jongeren met extreem moeilijk gedrag. Dat legt extra druk op scholen en leerkrachten. Leerkrachten en welzijnswerkers voelen zich steeds vaker machteloos in het stellen van grenzen en ervaren toenemende handelingsverlegenheid. De roep om meer ondersteuning klinkt luid en dringend. Warme Scholen[1] maakt hiervan een speerpunt.
Toenemende diversiteit
Leerlingen groeien vandaag op in een snel evoluerende en superdiverse maatschappij, gekenmerkt door voortdurende verandering, afleiding, onzekerheid, prestatiedruk en polarisatie. Veel leerlingen groeien op in een niet-stimulerende leeromgeving, in een context van kansarmoede (14% groeit op in armoede) of in sociaal isolement. Vaak kunnen ze slechts terugvallen op een klein netwerk (10% heeft geen vrienden).
Daarnaast geeft 25% aan ooit gepest te zijn en voelt ongeveer 20% zich niet goed in zijn vel. Toenemende vormen van neurodiversiteit zorgen voor unieke persoonlijkheden die niet altijd passen binnen het schoolse systeem. Dit leidt vaak tot een lage zelfredzaamheid of verhoogde mentale kwetsbaarheid. Minder dan 40% van de leerlingen is volgens de OESO gemotiveerd op school.
Onderwijs zou houvast moeten bieden, maar daarin wordt niet altijd voldaan. Vaak primeert selectie en disciplinering, met opgelegde regels en deadlines. Gehoorzaamheid wordt afgedwongen, maar intrinsieke motivatie blijft uit. De ongekwalificeerde uitstroom neemt toe: jaarlijks verlaat ongeveer 12% van de jongeren het leerplichtonderwijs zonder diploma. Zij worden overlevers.
Aangezien naar schatting 75% van de psychische problemen ontstaat vóór de leeftijd van 24 jaar, betekent dit ook voor de samenleving een zware financiële en menselijke kost. Nochtans kan zuurstof hoop creëren. Door in te zetten op de psychologische basisbehoeften – autonomie, verbondenheid, competentie en zingeving – worden jongeren meer betrokken bij hun eigen toekomst en kunnen ze de regie in handen nemen.
Toenemende complexiteit
Zonder te vervallen in extremen, is bovenstaande een treffend voorbeeld van de toenemende complexiteit in het onderwijs. Het is goed dat scholen inzetten op kennisrijk curriculum en leerlingen de nodige vaardigheden en attitudes bijbrengen. De toename van de kennis door wetenschappelijk onderzoek maakt het echter steeds uitdagender om deze kennis toegankelijk en betekenisvol over te brengen.
Het inzetten van educatieve technologie kan hierbij ondersteunend zijn: zowel ter ontlasting van leerkrachten als om meer maatwerk te bieden via gepersonaliseerde leertrajecten die inspelen op individuele onderwijsbehoeften. Tegelijk voelen leerkrachten de druk toenemen. Lesgeven is een uitdagende opdracht geworden.
Wanneer daarbovenop ook complexe zorgvragen, agressie en grensoverschrijdend gedrag optreden, ontstaat een uiterst complexe cocktail die leerkrachten alleen niet meer kunnen managen. De kelk is tot op de bodem geledigd. Schoolorganisaties zijn vastgelopen in verkokerde structuren. Het gelijktijdige optreden van zoveel uitdagingen vraagt niet alleen meer inspanningen, maar ook meer afstemming over beleidsdomeinen en sectoren heen. Leerkrachten, begeleiders, ondersteuners en therapeuten moeten steeds nauwer samenwerken om passende ondersteuning te bieden op school. Zij botsen ook op de grenzen van hun expertise, en zelfs hun kernopdracht.
Verkokering
Meestal vinden intensieve trajecten buiten de school plaats. Therapeutische behandelingen door logopedisten, psychologen, ziekenhuisscholen, studiecentra, psychiaters, welzijnswerkers… verlopen vaak via individuele trajecten. Die hebben gelukkig een positieve impact op de jongere zelf, maar beïnvloeden ook de school en haar zorgbeleid.
Omdat jongeren zich doorgaans op school bevinden, is daar de vind- en ontmoetingsplaats, maar niet noodzakelijk de ‘oplossingsplaats’. Welzijnswerk via MPI’s, jeugdconsulenten, NAFT-trajecten, geestelijk gezondheidscentra, CLB, psychiaters en psychologen, politiediensten, jeugdrechters… allen gaan op zoek naar oplossingen voor deze uitdaging. En doen hun uiterste best. Maar geen enkele van deze gewaardeerde instanties kan op zijn eentje zorgen voor een effectieve passende oplossing. Hier geldt niet het principe dat “als elk voor eigen deur veegt, de hele straat proper is”. Vanuit een klassieke reflex associëren we bepaalde problemen met een aparte sector. Zo is het de sector onderwijs, welzijn, of justitie die met een oplossing moet komen. Elke sector functioneert vanuit zijn eigen silo met afzonderlijke procedures, doelstellingen, beleidsaanbevelingen, expertise en verantwoordelijkheden. Maar dit belemmert een effectieve (en integrale) aanpak. Wie neemt eigenlijk die globale eindverantwoordelijkheid?
Verknoping
Waar ontmoeten deze actoren elkaar? Wat is hun gemeenschappelijk doel en resultaat? Willen we vermijden dat talent verloren gaat, dan is samenwerking over sectorgrenzen heen noodzakelijk. Het is een paradigmashift van een verkokerde naar een verknoopte samenwerking waarbij actoren als ecosysteem (re-)ageren rond die jongeren/leerlingen.
Complexe problemen, vragen een geïntegreerde benadering. Een verknoopte samenwerking vertrekt vanuit gedeelde ambities, verantwoordelijkheden en middelen. Samen weten ze meer en leren ze ook meer van elkaar. Wanneer elk apart naar de problematiek kijkt, ziet het vanuit beperkte bril en eigen expertise. Wie dus enkel een hamer in zijn gereedschapskist heeft (en gebruikt), ziet overal nagels om op te kloppen. Het was lange tijd het credo om alles in onderwijs zelf te willen aanpakken, maar door de toegenomen complexiteit in onze voca-wereld, gaat men zich meer op het eigen kernproces richten en voor aanpalende of ondersteunende processen een beroep doen op partners. Zo geven we pakketjes door aan de andere…
De manier waarop scholen georganiseerd zijn, maakt samenwerking met externe partners niet eenvoudig. Er ontstaat druk om te zoeken naar andere organisatievormen om dat meer te faciliteren. Hierdoor kantelt het organisatiemodel van een hiërarchische spinorganisatie naar een netwerkgerichte zeesterorganisatie met meer autonome teams en gedeeld leiderschap. Scholen vormen teams die verantwoordelijkheid nemen voor de kernopdracht over de vakken en leerjaren heen, terwijl ze tegelijkertijd participeren als een zelfstandige entiteit in een scholengemeenschap of ander netwerk. Het is enerzijds op grote schaal, kleinschaligheid organiseren en anderzijds iets op niveau van het netwerk organiseren dat geen enkele school alleen voor elkaar krijgt. Het is een grote uitdaging om daarin andere partners te betrekken. Netwerkorganisaties vormen daarbij een goed alternatief voor klassiek bureaucratische spinorganisaties die – met veel goede wil – blijven proberen om met de bestaande organisatievorm de uiterst complexe – ‘wicked’ – uitdagingen aan te pakken. Dit is een ijzeren wet in organisatiekunde en systeemontwikkeling (law of requisite variety van Ashby). Complexe vragen vereisen geen eenvoudig antwoord maar genuanceerde antwoorden. De interne regelcapaciteit om een organisatiesysteem aan te sturen moet minstens even divers zijn als de omgeving. Een grote diversiteit aan de instroomkant, zorgt voor een grote variëteit in aanpak om de uitstroom georganiseerd te krijgen. Maatwerk primeert daarbij boven standaardisering en uniformisering. Net daarom is een netwerkorganisatie zo geschikt om die partners te verbinden.
Het is dus een kwestie van samenwerken om complexe uitdagingen aan te pakken. Niet vanuit één organisatie, maar vanuit een netwerk van relevante organisaties. Het is het creëren van een ruimere gereedschapskist met méér tools dan enkel ‘de hamer’. Het zijn organisaties die zich openstellen voor het samen zoeken naar oplossingen met anderen. In die zoektocht moeten we steeds afwegen wat je samen doet en wat je zelf bewaakt. Samenwerking is daarom nooit de gemakkelijkste weg en botst vaak op weerstand wanneer bevoegdheden worden gedeeld of afgegeven. Maar samenwerken is niet nieuw en bestaat al eeuwen. Sinds het ontstaan van de mensheid moesten mensen met elkaar samenwerken om grotere dieren te doden of samenwerken om een raket op de maan te doen landen. De vraag is alleen: hoe organiseren we die samenwerking? Welke vormen van samenwerking zijn er?
Blijf de blog volgen en deel via de deelknoppen binnen je eigen netwerk.
[1] De (afgeronde) geciteerde cijfers komen uit het magazine1 Warme Scholen. Cf. website http://www.warmescholen.net






